Is er plek voor Nederland in de toekomst?


Het is inmiddels bijna een cliché, de vermelding dat er in de wereldeconomie grote verschuivingen optreden en nog gaan optreden. En ondanks dat cliché, lijkt het er toch op dat we ons in Nederland voortdurend laten verrassen door alles wat er gaande is, en nog geen vastomlijnde positie hebben bepaald omtrent hoe we met de toekomst om moeten gaan.

 Toch zijn die verschuivingen voor de open Nederlandse economie van grote betekenis, en is het dus wel belangrijk om een zo goed mogelijk beeld van de toekomstige ontwikkelingen te hebben en daar zo goed mogelijk op in te spelen. Waardoor denk ik dat we ons nog laten verrassen? Een paar voorbeelden.

Noodzakelijke heroriëntatie

We zien al een paar jaar spanningen ontstaan in de handelsrelatie tussen de VS en China. Dat is ook logisch vanuit de prognose dat de dominantie van de VS als grootste economische speler in de wereldeconomie in het komende decennium zal worden overgenomen door China. De VS reageert uiterst defensief, terwijl China steeds agressiever de nieuwe plek opeist.

Voor Nederland betekent dat een noodzakelijke heroriëntatie. Hoe verhouden we ons tot de grote wereldspelers, en kunnen we eraan bijdragen dat de EU ook wereldspeler blijft, en meer als eenheid kan opereren tegenover de andere wereldspelers? Er is in de Nederlandse politiek nog maar weinig animo te bespeuren om zich daar echt voor in te zetten.

Daarnaast zien we de komende decennia een enorme uitdaging voor ons liggen om op tijd de mondiale temperatuurstijging tot een halt te roepen door onze CO2 uitstoot te beperken, en daarmee de natuur, de biodiversiteit en de ecosysteemdiensten die de natuur ons levert, te redden. Toch zijn we verbaasd dat Nederland een beetje achteraan bungelt in het aangaan van deze uitdaging (zie het Urgenda-arrest) en over de grote omvang van het klimaatpakket dat de Europese Commissie deze maand presenteerde. Voorts zijn velen in Nederland er trots op dat Nederland wereldwijd nummer twee is als het om agrarische export gaat, en erg terughoudend in de erkenning dat de milieu-last in Nederland een dergelijke positie helemaal niet toelaat.

Of, als laatste voorbeeld, zien we al een aantal jaren gebeuren dat ons leven en werken steeds digitaler wordt, dat die digitale wereld gedomineerd wordt door grote Amerikaanse bedrijven en dat we steeds minder grip overhouden op de mores die in die digitale wereld heersen. We hebben er nog geen antwoord op, of kijken op zijn best naar de EU om hiervoor een antwoord te verzinnen. 

Tijd voor globalanceren

De denktank DenkWerk, waar ik deel van uit mag maken, heeft het afgelopen half jaar nagedacht over wat een heroriëntatie van Nederland op de nieuwe wereldeconomische orde zou kunnen betekenen. Nederland heeft de afgelopen decennia voluit meegedaan aan de globalisering van de economie, het is volgens DenkWerk nu tijd voor globalanceren (zie www.denkwerk.online).

De vrees waarmee DenkWerk de exercitie begon, was dat er een sterke regionalisering van de wereldeconomie zal optreden. De controverse tussen de VS en Azië, de digitale agressie van Rusland, de instabiliteit van het Midden-Oosten, de spanningen in Latijns-Amerika, de milieuschade van de transportsector, de effecten van pandemieën: ze maken de mondiale productieketens allemaal onzeker, en het zou geen onlogische reactie zijn om de ketens te verkorten en dicht bij huis te halen en te houden. Voor de goederenhandel is zo’n beweging ook helemaal niet ondenkbaar. Voor de Nederlandse import- en exportpositie zou dat betekenen dat de Europese markten nog belangrijker worden dan ze nu al zijn. Deze beweging lijkt voor Nederland nog goed beheersbaar.

De voor ons relevante groei van de wereldeconomie zit waarschijnlijk echter veel meer aan de dienstenkant. Daar mag je verwachten dat de digitalisering nog grote effecten zal hebben in de prijsvorming van de dienstverlening en zal leiden tot een mondiale herverdeling van concurrentiekracht. Die economische prikkels zijn waarschijnlijk krachtiger dan alle bovengenoemde mondiale onzekerheden. Zoals onze elektronica allemaal in Azië wordt geproduceerd, zullen ook steeds meer diensten elders in de wereld worden geproduceerd.

De kop en de staart

Daar komt volgens de DenkWerk-analyse nog bij dat in de (gedigitaliseerde) goederenproductie de kop en de staart van de productieketen, namelijk de R&D- en ontwerpfase en de marketing- en servicefase, belangrijker zullen worden in de toegevoegde waardeontwikkeling. Ook die zijn niet plaatsgebonden. Kan Nederland zijn stevige positie op het gebied van ontwerpen vasthouden? Covid-19 heeft ons al geleerd dat enorm veel werk op afstand mogelijk is. En in de digitale wereld gaat alles heel snel. Over tien jaar kunnen al enorme verschuivingen zijn opgetreden, met mogelijk grote effecten op de werkgelegenheid en het karakter daarvan in Nederland.

Als we ons niet door deze ontwikkelingen willen laten verrassen, staat ons een aantal dingen urgent te doen. We moeten onze concurrentiekracht op het gebied van digitale diensten zo goed mogelijk versterken. Dat betekent vooral dat we de vaardigheden van de werkenden in Nederland zo eigentijds mogelijk moeten maken en houden. Dat is een grote uitdaging voor scholing, bijscholing en omscholing.

We moeten meer inzetten op een krachtig Europa. We moeten ook de dreigende toename van ongelijkheden (een negatieve dimensie van de globalisering) tijdig onderkennen en ondervangen. Dat geldt binnen Nederland, dat geldt ook mondiaal. Want voor een gebalanceerde ontwikkeling van de wereldorde, die gebaseerd is op vertrouwen en samenwerken, is een verkleining van ongelijkheden een essentiële voorwaarde. 

Bernard ter Haar heeft als topambtenaar gewerkt op de ministeries van Financiën en SZW. Op dit moment is hij werkzaam bij ABDTopconsult van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Ter Haar schrijft maandelijks voor Fondsnieuws over de relatie tussen overheid en markt.