Wie wil een kerncentrale financieren?


Op verzoek van de huidige staatssecretaris van EZK, die toen nog Kamerlid was, heeft het ministerie vorig jaar een onderzoek uitgevraagd naar de haalbaarheid en betaalbaarheid van kernenergie in Nederland. Voor dat onderzoek was een bureau uitgezocht (ENCO) waarvan verwacht mocht worden dat het een positief getint rapport zou worden.

ENCO meldt strikt onafhankelijk te zijn, maar beweegt zich geheel in nucleaire kringen. De uitkomsten waren dan ook vrij positief, en het onderzoek heeft inmiddels veel kritiek ontvangen van andere experts in het energieveld. Nu is kernenergie ook een beladen onderwerp en dat heeft alles te maken met risico’s. In dit geval risico’s voor een ontploffende kerncentrale, het gebruik van nucleair materiaal voor de productie van een kernbom of de risico’s van nucleair afval dat vele tienduizenden jaren gevaarlijke straling blijft uitzenden.

Er bestaat een zeker maatschappelijk wantrouwen of deze risico’s adequaat gemanaged kunnen worden. Dat is niet zonder reden, denk ik. Voor mijzelf speelt nog altijd de ervaring van het ongeluk met de centrale in Tsjernobyl. Niet zozeer de ontploffing zelf, hoe ernstig ook, maar het feit dat er in heel West-Europa nucleaire neerslag werd gemeten, behalve in Frankrijk.

Meetapparatuur

Ik werkte destijds bij het Kernfysisch Versneller Instituut in Groningen en onderzoekers van het instituut hadden meetapparatuur op het dak gezet om de Tsjernobyl-straling te kunnen meten. Die metingen werden gecommuniceerd met collega’s van vergelijkbare instituten. Maar in Frankrijk vingen ze bot. Dat wekte ernstig de schijn dat het de Franse regering niet uitkwam om een discussie over stralingsrisico’s te voeden. Frankrijk staat immers tamelijk vol met kerncentrales. Open communicatie is een eerste vereiste bij risicomanagement, en overheden en bedrijven falen nogal eens op dit vereiste. Maar de strekking van de huidige discussie in Nederland gaat over de vraag of een kerncentrale een goede investering zou zijn ten bate van onze energietransitie. Het ENCO-rapport concludeert dat dit onder bepaalde condities het geval zou kunnen zijn.

Nu is het goed te bedenken dat een kerncentrale een nogal lastig investeringsobject is. Een kerncentrale van gemiddelde omvang kost ongeveer 10 miljard euro. De bouw ervan duurt ongeveer tien jaar, nog afgezien van de jaren die nodig zijn om de ruimtelijke inpassing geregeld te krijgen. Bijna geen enkele centrale wordt binnen de geplande tijd opgeleverd. Vertraging is bijna standaard. Dat heeft met ingewikkelde techniek te maken, maar ook met ingewikkelde vergunningprocedures, die gedetailleerde eisen stellen ten behoeve van de veiligheid van de centrale.

Financiering van ontmanteling

Al die bouwjaren rendeert de investering natuurlijk nog niet. Daarbij is in de Nederlandse wetgeving bepaald dat de financiering van de ontmanteling ook vooraf vastgelegd moet zijn, om te voorkomen dat de Nederlandse staat na zoveel jaar met een stralende ruïne blijft zitten. Ook die financiering rendeert niet of beperkt. Voeg hier een zekere mate van politieke ongewisheid bij omtrent de inzet van kernenergie, en het is snel duidelijk dat geen enkele private financier zijn miljarden gaat stoppen in een kerncentrale. Diverse plannen in het buitenland zijn hier de afgelopen jaren ook op gesneuveld.

Dan wordt er dus naar de overheid gekeken. Kan die de financiering niet ondersteunen, bijvoorbeeld door zelf het benodigde geld heel goedkoop te lenen en in de bouwfase voor te schieten? Maar voldoende zekerheid over afdoende rendement levert dat nog niet op. Want als er eenmaal elektriciteit wordt geproduceerd, tegen welk tarief kan die stroom worden afgezet? Het ENCO-rapport maakt daarvoor een ingewikkelde systeemvergelijking met de productie van alternatieve elektriciteitsproductie, maar het kan simpeler: de kerncentrale moet te zijner tijd concurreren op de internationale elektriciteitsmarkt, en dat is verre van zeker.

Garantieprijs

De toenmalige Britse premier Theresa May heeft ten behoeve van een centrale waar nu aan gebouwd wordt in het VK daarom een garantieprijs afgesproken voor de stroom die de centrale ooit gaat leveren. Die garantieprijs is nogal hoog. Het blad The Economist was destijds daarom ook sterk tegen deze deal gekant, en kon eenvoudig laten zien dat deze garantieprijs ver boven de verwachte prijs van zon en wind zou uitgaan. Inmiddels bestaan er vergevorderde plannen voor een gelijkstroomkabel tussen Marokko en het VK, waarvan de financier stelt dat hij stroom kan leveren voor net iets meer dan de helft van de garantieprijs die mevrouw May heeft afgegeven. Ook voor andere duurzame energieplannen in het VK wordt vooral gekeken of zij met hun kostprijs onder deze garantieprijs zullen uitkomen. Het is dus niet uit te sluiten dat de Britse overheid tientallen jaren tandenknarsend veel te dure stroom moet betalen. 

Er zijn dus twee soorten risico-vragen. Wil de Nederlandse samenleving het risico van kernenergie aangaan en zijn daarbij de risico’s van de alternatieven ook goed in kaart gebracht en gewogen? (zoals zonnepanelen op brandende gebouwen bijvoorbeeld)? En wil de Nederlandse overheid zich ophangen aan alle financiële risico’s van een kerncentrale, die de private sector nooit zelf zal nemen? Bedenk daarbij dat een nieuwe centrale ongeveer in 2040 zou kunnen starten in een energielandschap dat noodzakelijkerwijs al veel verder dan nu is geëvolueerd op de weg naar een fossielloze energiehuishouding. Waarbij je mag verwachten dat een omvangrijk internationaal elektriciteitsnetwerk (van gelijkstroomkabels) daar deel van uit maakt. Je moet maar hopen dat de Nederlands overheid in de jaren veertig van deze eeuw ook niet tandenknarsend moet constateren op het verkeerde paard te hebben gewed. 

Bernard ter Haar heeft als topambtenaar op diverse ministeries gewerkt, waaronder het ministerie van Financiën en van SZW. Op dit moment is hij werkzaam bij ABDTopconsult van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Hij is tevens lid van de denktank DenkWerk. In zijn bijdragen voor Fondsnieuws schrijft hij maandelijks over de verhouding tussen markt en staat.