Steekt inflatiespook kop weer op?


De scherpe stijging van de rijstprijs en de onlusten van de afgelopen weken die daarmee gepaard zijn gegaan, hebben de inflatievrees bij de economen, politici, marktactoren en vooral de journalisten sterk aangewakkerd.

Hoewel de rijstprijs volgens ons over afzienbare tijd terug zal dalen tot een voor de bevolking aanvaardbaar niveau (met tot vier oogsten per jaar is het aanbod relatief makkelijk aan te passen aan de vraag) zouden de prijzen van de grondstoffen globaal genomen de komende jaren hun opwaartse trend moeten voortzetten, wat overigens de stelling is die wij reeds meerdere jaren in deze rubriek verkondigen.

Het gebrek aan evenwicht tussen het aanbod en de onhoudbaar toenemende vraag slokt alsmaar grotere hoeveelheden grondstoffen en energie op. Na verloop van tijd sijpelen de prijsstijgingen van de grondstoffen door tot in de hele prijzenketen en zelfs, wat nog zorgwekkender is, tot in de salarissen, die worden opgetrokken om de koopkracht te bewaren.

De eerste tastbare tekenen van deze vicieuze cirkel worden voelbaar in bepaalde opkomende landen en, zij het in mindere mate, bij een aantal “slechte leerlingen” van de eurozone, waar soms salarisverhogingen worden toegezegd zonder overeenstemmende productiviteitswinsten.

De basisconcepten van die goede oude kondratieffcyclus kunnen ons meer inzicht verschaffen in de drijvende krachten achter deze ontwakende inflatie. Een volledige cyclus neemt zo’n 55 à 60 jaar in beslag en kan opgesplitst worden in vier fasen – of jaargetijden: de lente met haar harmonieuze groei, de zomer met zijn economische oververhitting, de herfst met een minder exuberante groei, en ten slotte de winter, waar iedereen zich in zichzelf terugtrekt.

N. D. Kondratieff stelde dat de hele cyclus in beweging wordt gehouden door investeringen in de infrastructuur, met alles wat daarbij komt kijken aan return on investment, schaarser wordende natuurlijke hulpbronnen en schuldopbouw. Als we ervan uitgaan dat China de leider is van de huidige groeicyclus, begrijpen we al beter hoe de inflatie – die nu nog binnen de perken blijft – veroorzaakt wordt door de infrastructuurwerken en de opwaartse druk die zij op de grondstoffen uitoefenen.

In die optiek beleven we nu de overgang van de lente naar de zomer, van een groei die wordt aangedreven door een sterke vraag naar grondstoffen, waar echter nog een toereikend aanbod tegenover staat, naar een onstuitbare – en dus ook inflatoire – groei van de vraag.

Hoewel de aanzienlijke arbeidsreserves in de opkomende landen, in combinatie met de aanhoudende productiviteitswinsten (dankzij de infrastructuurinvesteringen in informatietechnologie van het afgelopen decennium), de gevolgen van de duurdere grondstoffen nog een zekere tijd kunnen afremmen in de algemene inflatiestatistieken, staat nu al vast dat de opwaartse druk op de prijzen alsmaar zal toenemen.

De belegger moet dan ook voorbereid zijn op deze langetermijnomslag: hij moet beleggen in zones waar de groei nog in staat is de inflatie op te vangen (de opkomende landen) of in de thema’s die deze groei ondersteunen, dus de grondstoffen.

Frédéric Leroux is fondsmanager bij Carmignac Gestion.