Fiscale rollercoaster


Hoewel het jaar 2018 bijna op zijn einde loopt, is het wellicht wat vroeg voor een eindejaarsbeschouwing. Toch alvast een paar woorden over de ontwikkelingen die zich dit jaar op het gebied van fiscale wet- en regelgeving hebben voorgedaan.

De ontwikkelingen op het gebied van Nederlandse en internationale fiscale wet- en regelgeving volgen elkaar in hoog tempo op en zijn ook voor beleggingsfondsen relevant.

Nederlandse ontwikkelingen

De meest besproken fiscale ontwikkeling van dit jaar is uiteraard de afschaffing van de dividendbelasting, die uiteindelijk tóch van tafel is gegaan. Voor fondsen die de status van fiscale beleggingsinstelling ('fbi') hebben is dat goed nieuws. De handhaving van de dividendbelasting brengt namelijk mee dat de afdrachtsvermindering behouden blijft. Hiermee kunnen fbi's buitenlandse bronbelasting op inkomen uit beleggingen in mindering brengen op de dividendbelasting die is verschuldigd over de eigen uitkeringen aan beleggers. Zonder deze regeling zouden dergelijke bronbelastingen in principe een kostenpost vormen, hetgeen zijn weerslag zou hebben op het fondsrendement. Particuliere beleggers kunnen de ingehouden dividendbelasting verrekenen met te betalen inkomstenbelasting (dan wel deze terugvragen).

Voor vastgoedfondsen was er dit jaar nog meer nieuws te melden. In het regeerakkoord was aangekondigd dat fbi's niet meer direct in Nederlands vastgoed zouden mogen beleggen. Dit stuitte op veel weerstand vanuit de vastgoedbeleggingssector. Ook deze maatregel is in het kader van de handhaving van de dividendbelasting weer van tafel gegaan.

Wat overigens - opvallend genoeg - in het publieke debat over de afschaffing van de dividendbelasting nauwelijks aan bod is gekomen, is het voorstel van het kabinet om in de plaats van de dividendbelasting (15 procent) een conditionele bronbelasting op dividenden (tarief 23,9 procent) naar  laagbelastende landen en in misbruiksituaties in te voeren. Of deze bronbelasting er nog gaat komen (parallel aan de dividendbelasting) of dat bepaalde antimisbruikbepalingen daaruit in de dividendbelasting zullen worden opgenomen, is op dit moment nog onduidelijk.  

Internationale ontwikkelingen

Ook op het gebied van internationale fiscale wet- en regelgeving zijn er dit jaar veel ontwikkelingen geweest.

Een belangrijke ontwikkeling is het multilateraal instrument ('MLI'), dat ervoor zorgt dat een aantal antimisbruikmaatregelen zal gelden voor een groot deel van het wereldwijde netwerk van belastingverdragen. Onderdeel hiervan is een principal purpose test op basis waarvan voordelen van belastingverdragen niet worden toegekend als een van de hoofddoelen bestaat uit het verkrijgen van een belastingvoordeel. Dit kan invloed hebben op de structurering en fiscale efficiëntie van fondsen. De precieze uitwerking van het MLI, dat naar verwachting op 1 januari 2020 in werking zal treden, laat zich echter moeilijk voorspellen.

Daarnaast treedt op 1 januari 2019 de Nederlandse implementatiewetgeving van de eerste Europese antibelastingontwijkingsrichtlijn ('ATAD 1') in werking. ATAD 1 verplicht EU lidstaten om een aantal maatregelen tegen belastingontwijking in nationale wetgeving te implementeren, waaronder een algemene renteaftrekbeperking en een zogeheten CFC-maatregel, die beoogt het oppotten van winsten in laag-belastende landen (landen met een winstbelastingtarief van <9 procent) tegen te gaan. Het kabinet heeft ervoor gekozen om bij deze implementatie op bepaalde onderdelen, anders dan menig ander EU lidstaat, verder te gaan dan door ATAD 1 wordt vereist.

Mogelijk relevanter voor fondsen is de tweede Europese antibelastingontwijkingsrichtlijn ('ATAD 2'). ATAD 2 zal gelden voor zogeheten hybridemismatches, aldus verschillen tussen belastingstelsels die ontstaan doordat fiscale wetgeving van landen niet (altijd) goed op elkaar aansluit. Een  voorbeeld daarvan is wanneer twee landen een samenwerkingsverband verschillend kwalificeren voor fiscale doeleinden. De mismatch in belastingheffing die daarvan het gevolg is probeert ATAD 2 te adresseren. Dit kan onder omstandigheden ook fondsstructuren raken, bijvoorbeeld omdat een fonds een juridische vorm heeft die in het ene land als fiscaal transparant wordt aangemerkt terwijl het andere land die juridische vorm als zelfstandig belastingplichtig kwalificeert. Dat een dergelijke mismatch niet denkbeeldig is kan worden geïllustreerd aan de hand van de fiscale kwalificatie van een gebruikelijke fondsstructuur: de limited partnership. In veel gevallen zal Nederland een dergelijke limited partnership als belastingplichtig aanmerken, terwijl het desbetreffende buitenland de limited partnership in de regel als fiscaal transparant aanmerkt. Het laat zich op dit echter moeilijk inschatten wat de exacte impact van deze nieuwe regelgeving gaat zijn.

Vooruitblik

Het jaar 2018 kenmerkte zich door de vele ontwikkelingen op het gebied van fiscale wet- en regelgeving. Vooruitblikkend belooft het jaar 2019, met de vele nieuwe wetgeving die in werking treedt dan wel wordt (door)ontwikkeld, wederom een enerverend jaar te worden. In ieder geval lijkt het adagium van de Belastingdienst niet meer op te gaan: leuker kunnen ze het niet maken, maar ook niet makkelijker.

David de Groot is advocaat-belastingkundige bij Stibbe en lid van Stibbe's Investment Management Groep.