Oliereus staat voor bittere keuze


Het laatste decennium was uitdagend voor oliemultinationals, maar makkelijker wordt het niet. Ze staan voor drie grote uitdagingen: investeren in hun kernactiviteiten, het uitbouwen van nieuwe energiebedrijven en het handhaven van hoge dividenden. Dat zou wel eens een paradoxale drie-eenheid kunnen zijn, stelt oliestrateeg Martijn Rats in een bijdrage voor Fondsnieuws.

Investeren in olie en gas, ofwel de kernactiviteiten, zal essentieel blijven. In 2030 zullen wereldwijd nog steeds grote hoeveelheden van deze brandstoffen gebruikt worden. Gewoonlijk zien bestaande olievelden hun productie met 5 tot 7 procent per jaar afnemen. Het lijkt onrealistisch om te verwachten dat de vraag in hetzelfde tempo zal afnemen. Dit betekent dat er nieuwe olievelden zullen moeten worden ontwikkeld waarvoor voortdurende investeringen nodig zullen zijn. 

Ten tweede zullen de oliemultinationals zich moeten voorbereiden op een CO2-arme toekomst. Momenteel besteden oliebedrijven ongeveer 5 procent van hun investeringsbudget aan hernieuwbare of nieuwe energieprojecten. Dit lage cijfer is niet te wijten aan een gebrek aan inspanningen, maar aan de lage rendabiliteit van deze projecten. In de toekomst zal er daarom nog meer ingezet moeten worden om dergelijke projecten rendabel te maken. 

Ten derde zullen de aandeelhouders gedurende deze overgang eisen dat de dividenduitkeringen gehandhaafd blijven. Momenteel verdelen Exxon, Chevron, Shell, BP en Total ongeveer 55 miljard dollar per jaar aan hun investeerders, voornamelijk pensioenfondsen. Deze dividenden verankeren hun aandelenkoersen waardoor er druk is om ze op peil te houden. 

De paradox van de oliemultinational

Hoewel de oliemultinationals in staat zouden moeten zijn om twee van deze drie doelstellingen te bereiken, lijkt het een uitdaging om ze alle drie tegelijk te realiseren. De kern van dit probleem is een paradox. 

Enerzijds hebben de oliemultinationals veel bij te dragen aan de energietransitie: ze hebben kennis over het uitvoeren van grootschalige infrastructuurprojecten, een wereldwijd netwerk, diepgaande overheidsrelaties en uitgebreide mogelijkheden voor de handel en marketing van energie. 

Anderzijds, hebben de grote spelers geen toegang tot groot extern kapitaal dat beschikbaar is voor de financiering van groene energieprojecten, die doorgaans gekenmerkt worden door lagere rendementseisen.

Financieringskosten

De meeste oliemultinationals hebben al tientallen jaren geen aandelen uitgegeven, maar als ze dit zouden doen dan zou de markt deze hoogstwaarschijnlijk waarderen op basis van financieringskosten die representatief zijn voor de bredere traditionele olie- en gasindustrie. Zelfs als dit kapitaal zou worden aangewend voor de hernieuwbare energiebronnen. Deze combinatie zorgt voor een aanzienlijk nadeel in termen van financieringskosten voor oliemultinationals. 

Dit probleem kan opgelost worden als de oliemultinationals nieuwe energieprojecten met een hoger rendement vinden. Het behalen van die hogere rendementen lijkt op dit moment erg moeilijk, hoewel dit op termijn wel kan gebeuren. 

Een andere oplossing zou liggen in het verkrijgen van toegang tot de kapitaalstromen die zich richten op hernieuwbare energiebronnen in plaats van op olie en gas. Dit zou de financieringskosten verlagen. Dit zou kunnen door te werken met beursgenoteerde dochterondernemingen waarin de oliemultinationals hun projecten in wind- of zonne-energie, oplaadstations voor elektrische voertuigen en de productie van batterijen onderbrengen. 

Totale dividenddruk

Door het samenbrengen van deze activa in een afzonderlijke entiteit en het noteren van een minderheidsbelang zou een dergelijke entiteit bijvoorbeeld zelf kapitaal kunnen aantrekken met veel lagere rendementseisen. Bovendien kunnen de oliemultinationals overwegen om een deel van hun dividend in aandelen aan te bieden aan de aandeelhouders van de nieuwe entiteit.

Dit zou een belangrijke financieringsbron kunnen worden voor de activiteiten op het gebied van hernieuwbare energie, terwijl de totale dividenddruk in contanten van de gecombineerde entiteit zou kunnen worden verlaagd. Het zou ook een overtuigend argument zijn voor investeerders die zich richten op milieu-, sociale en bestuur kwesties om te blijven investeren in olie en gas. 

Optimale efficiëntie

Tot slot zouden de resterende bedrijven zich vrijelijk kunnen richten op het beheer van olie- en gas assets. Deze worden dan beheerd met weinig groei, maar wel met een optimale efficiëntie, waardoor er nog steed zo veel mogelijk inkomsten worden gegenereerd en er zo veel mogelijk dividend wordt uitgekeerd. Wanneer de vraag naar olie piekt, zal er waarschijnlijk weinig ruimte zijn voor kleine exploitanten, wat betekent dat er op een gegeven moment een nieuwe consolidatieronde kan plaatsvinden. Dergelijke bedrijven zouden daar de motor achter kunnen zijn. 

Natuurlijk is deze weg niet de enige manier om de onmogelijke drie-eenheid op te lossen. De afgelopen jaren heeft de industrie zich relatief langzaam in verschillende richtingen bewogen - allemaal rationele reacties op een overgang die vertroebeld en onzeker lijkt. 

Om de ondermaatse prestaties van de sector een halt toe te roepen, zullen investeerders meer duidelijkheid moeten krijgen over de toekomstige rol van de oliemultinationals. Op een gegeven moment zal dat meer vragen dan alleen maar kleine discrete stappen. Een volledige nieuwe structuur zou een antwoord kunnen bieden. 

Martijn Rats is olie-strateeg en hoofd Europese energie research bij Morgan Stanley.