Pendule zwaait van ‘markt’ naar ‘overheid’


De pandemie heeft de economie een enorme optater gegeven en overheden halen alles uit de kast om de schade te beperken. Daarmee is de rol van de overheid in de economie vanzelf fors toegenomen en vaak wordt betoogd dat een grotere overheidsrol dan voor de pandemie wenselijk is.

In het nieuwe verkiezingsprogramma pleit nu zelfs de VVD voor een sterkere overheid. Daarmee is het pleit wel beslecht. De vraag is alleen wat het precies betekent. 

We leven in een markteconomie. En dat is maar goed ook want het marktmechanisme is zonder twijfel het meest succesvolle allocatiemechanisme. Dat wil zeggen, de markteconomie leidt tot de hoogst mogelijke collectieve materiële welvaart.

Beperkingen van ‘de markt’

Tegelijkertijd is de economische theorie er zeer helder over dat de markt niet zaligmakend is. Bij sommige producten kunnen marktkrachten niet goed werken. Daarnaast vinden we sommige uitkomsten van de markt sociaal niet aanvaardbaar. En tenslotte werken markten alleen optimaal als er een effectieve en krachtige marktmeester is en als er voldoende concurrentie is. Dat alles maakt een krachtige overheid noodzakelijk.

Overheid en markt zijn complementair. Maar hoe groot de collectieve sector dan moet zijn en waar de overheid zich al dan niet mee moet bemoeien, is daarmee nog niet vastgesteld. Daarin zien we, niet verrassend, golfbewegingen.

Vanaf de oorlog tot ver in de jaren zeventig was de overheid in de Westerse wereld in opmars. De collectieve sector groeide overal en regulering nam toe. Een – onbedoeld – gevolg was dat een deel van de groeidynamiek verloren ging. 

De tegenreactie werd in gang gezet door Reagan en Thatcher en in ons land door Lubbers en het akkoord van Wassenaar. Vanaf dat moment was het marktdenken weer in opmars, al werd de collectieve sector niet echt kleiner. Onderweg werd de noodzakelijke complementariteit van markt en overheid wellicht te zeer uit het oog verloren en ontstond geleidelijk teleurstelling over sommige resultaten van de markt.

Verwerping marktwerking

We staan nu kennelijk weer op een keerpunt. Marktwerking zit in het verdomhoekje. Zo hoor ik, bijvoorbeeld, verhalen dat de marktwerking op de huizenmarkt moet worden ingeperkt. Als er één markt is waar de invloed van de overheid groot is, dan is het wel de huizenmarkt, vooral door het beleid ten aanzien van ruimtelijke ordening en de gronduitgifte door gemeenten.

In 2017 schreef het CPB een rapport over de prijselasticiteit van het aanbod van nieuwbouwwoningen. De conclusie was dat die elasticiteit zeer laag is in absolute zin en ook lager dan in landen waarmee werd vergeleken. In tegenstelling tot in andere landen wordt er bij ons dus niet of nauwelijks meer gebouwd als de prijzen stijgen. 

Die zeer lage prijselasticiteit van het aanbod, waarbij de bouwproductie dus niet of nauwelijks reageert op prijsveranderingen, lijkt mij het duidelijkst mogelijke bewijs van een uiterst gebrekkig werkende markt. Op zo’n markt zijn prijsuitslagen groot en kunnen makkelijk tekorten ontstaan (of overschotten, maar die zijn door het restrictieve bouwbeleid niet aan de orde). Het is prijstheorie van de middelbare school. Er is op de huizenmarkt niet te veel maar te weinig marktwerking.

Meer overheidsinvloed 

Op andere terreinen is de bewering dat marktwerking te ver is doorgeschoten mogelijk wel valide. Twee goede vrienden laten mij steeds weten dat je in de zorg niet de omstandigheden (in het economenjargon: volkomen concurrentie) kunt creëren om het marktmechanisme succesvol te maken. Ik twijfel, maar misschien hebben ze een punt. Het wordt zonder marktwerking wel een uitdaging daar de kostenontwikkeling in de hand te houden.

Het lijdt geen twijfel. In het huidige tijdsgewricht zwaait de pendule richting overheidsinvloed. Hopelijk gaat dat op selectieve basis en zwaait de pendule niet te ver. Ik hou mijn hart echter vast.

Han de Jong is voormalig hoofdeconoom van ABN Amro. Hij schrijft wekelijks voor Fondsnieuws over economie en markten. Meer informatie over zijn visie kunt u lezen op Crystal Clear Economics.