Dollarzwakte heeft ook zijn voordelen


Jarenlang was het één van mijn stokpaardjes, de reshoring trend in de Verenigde Staten, ofwel de trend dat Amerikaanse ondernemingen hun productiefaciliteiten naar de VS terughalen. Het was een van de eerste tekenen van een ommekeer in globalisering. Totdat Trump aan reshoring met zijn ‘America First’ een andere lading en toon gaf en mij het plezier van deze analyse ontnam.

En, oké, de analyse werd minder relevant doordat de relatieve kosten van Amerikaanse producenten stegen. 

Het terughalen van productiefaciliteiten krijgt door de coronacrisis veel aandacht. Toch zette de VS de reshoring trend al zo’n tien jaar geleden in. De keuze tussen meer in eigen land produceren of juist meer uitbesteden aan andere landen, hangt van meer af dan lonen alleen. Productiviteitsgroei, wisselkoersen, energie- en transportkosten en de kwaliteit van werk en infrastructuur kunnen doorslaggevend zijn. De laatste vier jaar speelt politieke inmenging een prominentere rol en sinds corona ook de veiligheid en snelle beschikbaarheid van producten. 

Productiviteitsgroei en concurrentiepositie

De lonen zijn nog altijd veel lager in de opkomende markten, maar het verschil neemt af. In 2000 konden in de industriesector bijna 37 Chinese werknemers aan de slag voor het loon van één Amerikaanse. Door de snelle stijging van de Chinese lonen daalde deze ratio tot 2010 tot bijna 13 en inmiddels ligt deze verhouding op ruim 6. Dit maakt het relatieve voordeel van uitbesteding naar China al een stuk kleiner. Landen als India, Vietnam, Singapore, Thailand en Indonesië winnen hierdoor aan aantrekkelijkheid.

Belangrijker voor de concurrentiepositie is hoe de loonstijging zich verhoudt tot de productiviteitsgroei. Als de lonen meer stijgen dan de productiviteit, verslechtert de concurrentiepositie. In de VS bleef de productiviteitsgroei tussen 2013 en 2017 sterk achter, terwijl de lonen juist meer stegen, waardoor de positie ten opzichte van China verslechterde. Vanaf 2018 is er sprake van een verbetering in de Amerikaanse productiviteit, door meer investeringen in technologie en minder gewerkte uren, terwijl de loongroei gematigd blijft. 

Opkomst schalieolie

Met de opkomst van schalieolie in de VS kreeg de reshoring trend een echte impuls. De olieprijzen daalden, de VS werd een exporteur van olie en het kostenvoordeel voor Amerikaanse producenten was aanzienlijk. Zo lagen in 2015 de elektriciteitskosten in de VS zo'n 50 procent onder die van Europese bedrijven en 40 procent onder die van Chinese. Door de forse daling van de olieprijzen nam dat relatieve voordeel echter snel af. En daar kwam de stijging van de dollar bovenop, waardoor reshoring minder aantrekkelijk werd en bedrijven de reshoring-plannen ‘on hold’ zetten. 

Politieke ontwikkelingen zijn duidelijk van invloed op het investeringsklimaat. De kwaliteit van onderwijs, werknemers en infrastructuur en het belastingklimaat kunnen doorslaggevend zijn voor een investeringsbeslissing. De verlaging van de vennootschapsbelasting van 40 naar 27 procenten een regeling om buitenlandse winsten tegen een lager tarief naar de VS terug te halen zorgden in 2018 voor een verbetering van de Amerikaanse concurrentiepositie.

Een externe factor die het verhaal van de relatieve kostenvoordelen verstoort is de handelsoorlog. De handelsoorlog leidt tot importtarieven, administratieve belemmeringen of tot verschuivingen in productketens. Meerdere Amerikaanse ondernemingen hebben onder druk van Trump een deel van de productiefaciliteiten uit China weggehaald. Iets hogere productiekosten wegen in veel gevallen op tegen de onzekerheid en mogelijke heffingen of het ingrijpen van de Amerikaanse president. Indien bedrijven echter gedwongen worden om faciliteiten terug te halen die bedoeld zijn voor de overzeese markten zelf, zal dat negatief uitwerken. Azië is een grote afzetmarkt, die het beste en efficiëntste vanuit die regio bevoorraad kan worden. 

Coronavirus toont belang van lokale productie

Met de coronacrisis en het besef dat we voor een aantal producten wel heel afhankelijk zijn van China, neemt de voorkeur voor lokale productie van essentiële goederen toe. In de VS kan deze trend door politieke druk en de verzwakking van de dollar een nieuwe impuls krijgen. De vraag is wel of er voldoende werknemers zijn om deze banen in te kunnen vullen. Een deel van het werk zal waarschijnlijk worden overgenomen door robots. Investeringen in robots zijn ook noodzakelijk om de hogere kosten van lokale productie op te kunnen vangen. Bank of America (BofA) schat de kosten van verplaatsing van de industriële productie (niet bestemd voor de Chinese consument) wereldwijd in op 1000 miljard dollar over een periode van vijf jaar. 

In 2019 verbeterde de concurrentiepositie van de VS aanzienlijk door een hogere productiviteitsgroei, een stabieler verloop van de dollar en de olieprijs en lagere belastingen. Volgens de BCG Global Manufacturing Cost Competiveness Index van Boston Consulting Group verbeterde de Amerikaanse positie ten opzichte van 18 van de 38 grootste industriële landen.

De gemiddelde productiekosten liggen in de VS weliswaar nog zo’n 4 procent hoger dan in China en 16 procent hoger dan in Mexico, maar zijn 14 procent lager dan in Duitsland, 18 procent lager dan in Frankrijk en 3 procent lager dan in Japan. Nu de dollar verzwakt en de noodzaak tot lokale productie door het coronavirus is toegenomen, kan dit het terughalen van productie en de inzet van robots bevorderen en kan mijn stokpaardje weer van stal. 

Ineke Valke is senior investment strategist bij Rabobank.