Een vleugje visserslatijn


Wie kent ze niet: mooie familieverhalen die heus wel een kern van waarheid bevatten, maar in de loop van de jaren links en rechts een beetje zijn aangedikt. Zo vertelde ik onlangs over de grote forel die mijn zoon een paar jaar geleden in de Ardennen had gevangen.

Dat was heel bijzonder, want een paar sportvissers hadden op die dag op dezelfde plek helemaal niets gevangen. En zij hadden het beste materieel, mijn zoon alleen een hengeltje van tien euro en peperkoek als aas. 

Tot zover geen woord visserslatijn. Maar toen ik begon over de afmetingen van de forel, gingen er een paar wenkbrauwen omhoog. En ik moet toegeven: in mijn verhaal is die vis in de loop der jaren steeds groter geworden. Dus toch, onbewust, een vleugje visserslatijn. 

Dit is ook onze pensioenmarkt niet vreemd. Pensioenfondsen denken soms net iets te optimistisch over de omvang van hun buffers, want we werken in Nederland al een tijd met een ‘kunstmatige’ rekenrente. Deze Ultimate Forward Rate, of UFR, ligt op dit moment hoger dan de marktrente. Overdreven hoog?

Pensioenfondsen hebben te maken met strenge regels en krijgen beperkingen opgelegd als hun buffers niet groot genoeg zijn. Maar die buffers leggen we dus langs een ‘kunstmatige’ meetlat. De activa op de balans van pensioenfondsen waarderen we op marktwaarde, maar blijkbaar is die methodiek niet goed genoeg voor de passiva. Dus kwam er een ‘kunstmatige’ oplossing, maar die is vlees noch vis.

De Commissie Parameters, onder leiding van Jeroen Dijsselbloem, heeft daarom nog eens kritisch naar deze rekenregels voor pensioenfondsen gekeken. Haar advies: vertrouw voor de waardering van de verplichtingen voortaan meer op de marktrente. Dit sluit aan bij wat wij onze klanten adviseren: ga bij het afdekken van het renterisico uit van de marktrente, want deze curve is zuiver en tegelijkertijd minder complex dan de UFR-curve.

Volgens de oude UFR-regels was de rentegevoeligheid het hoogst voor de verplichtingen met een looptijd van 20 en 30 jaar en vrijwel nul bij 40 en 50 jaar. Volgens de nieuwe methodiek gaan de UFR en de marktrente veel meer gelijk op, waarbij een deel van de rentegevoeligheid is verplaatst naar 40 en 50 jaar. Er blijft dus sprake van een ‘kunstmatige’ rentevoet, bedoeld om de dekkingsgraden meer stabiliteit te geven, maar in de praktijk oefent de marktrente de grootste invloed uit. Het resultaat is dat de rekenrente voor pensioenfondsen omlaaggaat.

Lopende hervorming

DNB zal het UFR-advies invoeren, maar niet vóór 1 januari 2021. Dit heeft te maken met de lopende hervorming van de rentebenchmark. In 2021 staat namelijk ook de vervanging van de Euribor als rentebenchmark op de agenda. In de tussentijd blijft het zaak om kritisch te zijn ten aanzien van de voorschriften in de wetgeving, zoals de UFR-rentecurve.

De invoering van de nieuwe UFR-methodiek, met dus een lagere rekenrente, betekent dat de dekkingsgraden van pensioenfondsen in 2021 zullen dalen. Die impact kan groot zijn, bijvoorbeeld voor fondsen met veel jonge deelnemers en dus langlopende verplichtingen. 

Nu kan het zijn dat niet alleen de methodiek, maar ook de regels worden aangepast. De financiële situatie van het pensioenfonds is immers niet wezenlijk veranderd, alleen de rekenformule. Wijzigen de regels niet, dan vissen gepensioneerden mogelijk achter het net en liggen er flinke kortingen op de loer. Wij adviseren pensioenfondsen om zich hierdoor vooral niet te laten afleiden. Het blijft draaien om goed beleggen voor de lange termijn, ongeacht welke rekenrente we gebruiken om de balans op te maken.

Jeroen Wilbrink werkt bij NN Investment Partners op de afdeling Integrated Clients Solutions.