DNB gooit UFR in de blender


Als de titel van deze column u bekend voorkomt dan kan dat kloppen. Het is plagiaat. Met toestemming. Mijn collega’s bij Mercer zetten deze kop boven hun reactie op de enigszins verrassende aanpassing, die De Nederlandsche Bank (DNB) eind augustus op de UFR-curve doorvoerde.

Ik volg hun redenatie. Maar een column mag je scherper aanzetten. Bovendien heb ik geen ruimte voor grafieken, maar moet ik het doen met woorden.

Wie het nieuws in alle hectiek gemist heeft: de nieuwe UFR-curve ( Ultimate Forward Rate) geïntroduceerd, die per ingang van 1 januari van kracht wordt, is een los eindje naar aanleiding van het advies van de commissie Parameters onder leiding van oud-minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem. Nu heeft DNB bekend gemaakt dat er een nieuwe voorgeschreven rentecurve komt, die gebruikt wordt om de waarde van de pensioenverplichtingen (en dus ook de dekkingsgraad) te berekenen. Lekker belangrijk, zo’n aanpassing in de theoretische rente hoor ik u denken. Maar let op. Hou de aandacht nog even vast. Het gaat over echt geld. 

Het belangrijkste onderdeel van de rentecurve is de UFR, een schatting voor de rente op de lange termijn. De nieuwe curve heeft een lagere UFR (1,7 procent in plaats van 1,9 procent) en wijkt pas vanaf een looptijd van dertig jaar af van de marktcurve. De huidige UFR wijkt al af vanaf twintig jaar. Ook is de snelheid afgenomen waarmee de nieuwe UFR-curve vanaf dertig jaar toegroeit naar de UFR. Het resultaat is dat de nieuwe rentecurve lager uitkomt dan de huidige curve.  

Nieuwe Ultimate Forward

De gevolgen laten zich raden. De nieuwe Ultimate Forward Rate is nadelig voor pensioenfondsen, die het renterisico niet volledig hebben afgedekt. Doordat de verplichtingen tegen een lagere rente worden verdisconteerd betekent dat voor hen meer verplichtingen en dus lagere dekkingsgraden. Om het effect over de tijd uit te smeren, kiest DNB ervoor de nieuwe UFR-curve geleidelijk in te voeren door de huidige methodiek te ‘blenden’ met de nieuwe methodiek. Tussen 2021 en 2024 wordt de nieuwe UFR-curve in vier gelijke stappen ingevoerd. 

Ik heb voor u enkele cijfers op een rijtje gezet. Op 31 augustus 2020 bedroeg de door Mercer berekende dekkingsgraad voor een gemiddeld Nederlandse pensioenfonds 96 procent. Op basis van de nieuwe UFR-curve is dat 92 procent na volledige invoering. Ieder jaar tot aan 2024 gaat er 1 procentpunt af van de dekkingsgraad. Voor pensioenfondsen met een ouder deelnemersbestand is de daling mogelijk iets minder, voor fondsen met een jonger deelnemersbestand kan deze juist sterker zijn.

Bovenstaande is te overzien. Maar onder de motorkap zijn er gevolgen voor pensioenfondsen die het rente-afdekkingsbeleid hebben gebaseerd op curve. Naast een hogere waardering van de verplichtingen stijgt de rentegevoeligheid en de verdeling daarvan over de verschillende looptijden. Het voert in deze column te ver om op de details in te gaan. Laten we het erop houden dat bij iedere invoeringsstap de afdekking lager wordt doordat de rentegevoeligheid op de curve verschuift van een looptijd van 20 tot 25 jaar naar 30 jaar. Een beetje extra curverisico dus.

Het levert pensioenfondsen weer een heleboel extra werk op. Is het echt nodig? Helaas wel. Het slechte nieuws is dat dekkingsgraden na deze aanpassing lager zijn. Het goede nieuws is de curve stapsgewijs naar beneden komt en uiteindelijk nog maar weinig verschilt met de marktcurve. Daardoor verplaatst het gedoe met de rentecurves en de UFR zich van de fantasiewereld meer naar de werkelijke wereld. 

Voor pensioenfondsen met een afdekkingsbeleid op basis van de marktrente is er geen directe impact. Het beste nieuws is dat we dan nog maar kleine stap te gaan hebben naar het nieuwe pensioenstelsel. 2026: here we come! 

Roelof Salomons is hoogleraar Beleggingstheorie en Vermogensbeheer aan de Rijksuniversiteit Groningen en strategisch adviseur bij Mercer.