Waar blijft het deltaplan voor vermogensbeheer?


Noblesse oblige. Ook op vakantie ben je als hoogleraar in functie. Zeker als in je functieomschrijving ‘beleggingstheorie en vermogensbeheer’ staat en je gebeld wordt over de teloorgang van de Nederlandse vermogensbeheerindustrie. Daar zit je dan aan het zwembad te bellen – over hoe de industrie de afgelopen 25 jaar totaal veranderde.

Toen ik in 1997 begon met werken had iedere bank, verzekeraar en pensioenfonds zijn eigen vermogensbeheerder. De pot geld is enkel gegroeid, maar het percentage daarvan dat in Nederland of door Nederlandse partijen wordt beheerd is gedaald. In 25 jaar een complete kaalslag. Nederland heeft een slag gemist, maar het is gissen naar het waar en waarom. De rode draad? Gebrek aan lef. 

De omgeving voor beleggers is uitdagender geworden. Vergoedingen zijn lager, kosten hoger. Performance is transparanter geworden en vergelijken simpel. Alles ligt onder het vergrootglas, zeker in plain vanilla categorieën. Managers met een actieve vergoeding die nagenoeg passief beheerden, hebben het veld geruimd. Niks mis mee, maar als iedereen vrijwel hetzelfde product levert en geen onderscheidend vermogen meer inzet, resteert enkel de concurrentie op schaal. Beleggers zonder lef om van de index af te wijken, de indexknuffelaars, hebben het afgelegd tegen hun meest geduchte tegenstander: de index. 

Vermogensbeheerders die deze trend zagen en de strijd om schaalgrootte niet aankonden, wisten wat ze moesten doen. Niche spelers komen nog onder margedruk uit. We hebben er een paar, maar niet veel. Je kunt je ook specialiseren in meer actieve illiquide categorieën; vastgoed en hypotheken liggen dan voor de hand. Private equity en onderhandse leningen vereisen meer schaal en worden al gedomineerd door wereldwijde spelers. Uitzonderingen bevestigen wederom de regel.

Als verwachte rendementen lager worden, wordt meer risico genomen binnen traditionele categorieën of meer bewogen richting alternatieven. Ik neem het bestuurders niet kwalijk dat ze het buiten de deur zochten, wel twijfel ik of wat van buiten komt altijd beter is. Van mijn scriptiebegeleider kreeg ik 25 jaar geleden de wijze les dat deze industrie 95 procent marketing is – en daar zijn wij gewoon minder goed in.

Ik neem het partijen ook niet kwalijk dat ze strategische keuzes maken en hun eigen vermogensbeheer afstoten. Wel vind ik het jammer dat het niet gelukt is om, zoals in andere landen, een aantal partijen samen te brengen.  De vraag is waarom. Het antwoord laat zich wellicht vinden in eigenbelang, of ego’s die in de weg zaten.

Er is meer...

Maar er is meer – en deze alinea’s gaan me geen populariteitsprijs opleveren. Werken in de financiële sector scoort niet meer: de eisen zijn vlijmscherp, er is geknipt en geschoren sinds de financiële crisis, de bestuurlijke deskundigheid moest flink omhoog. Je kunt het toezichthouders niet verwijten dat ze daar bovenop zitten, wel heeft dit voor velen verlammend gewerkt. Lef maakte plaats voor angst; afwijken mag of kan niet meer en risico’s moeten worden gemanaged en gemitigeerd. En terwijl de eisen strikter werden, ging de rem op de beloning. 

Ik zal de laatste zijn om te beweren dat er in de sector slecht betaald wordt, maar feit blijft dat dit een wereldwijde industrie is. Met de strengste bonusregels van Europa ga je niet winnen. Partijen die vanwege Brexit een plekje op het continent zochten, kozen voor Parijs en Frankfurt terwijl Amsterdam als 'stad' de voorkeur had. Kapitaal gaat naar de plek waar wordt beloond en talent trekt nieuw talent. Ongeveer de helft van de collegezaal bestaat al uit internationale studenten. Voor hen is Europa het speelveld.

Het is bijzonder dat een land met zoveel miljarden aan (pensioen)vermogen het laat wegstromen. Wellicht is dat de Hollandse koopmansgeest, maar kortzichtig is het ook. Een gevolg kan ik hier nu al voor u uittekenen: het wordt lastiger voor mandaatgevers als pensioenfondsen en verzekeraars om controle uit te oefenen. De managers zitten niet meer in hetzelfde land, waardoor even iets vragen er niet meer bij is. Voor het financieren van de energietransitie in Nederland zijn we afhankelijk van buitenlanders. 

Laat ik eindigen met een call to action. Ik ben niet voor industriepolitiek, laat staan een ministerie van beleggingen. Hoog tijd dat er mensen opstaan die angst inruilen voor lef, die de koppen bij elkaar steken en partijen samenbrengen. We kunnen het ons niet veroorloven om na de bankiers ook de vermogensbeheerders kwijt te raken. Er moet efficiënt kapitaal gealloceerd worden. En eerlijk is eerlijk, ook dat is eigenbelang. Want ik ben wel klaar met het opleiden van talent voor het buitenland. 

Roelof Salomons is hoogleraar Beleggingstheorie en Vermogensbeheer aan de Rijksuniversiteit Groningen en strategisch adviseur bij verschillende financiële instellingen