Analyse: Rutte een nationale vrek? Néé, een staatsman!


Premier Mark Rutte verdiende namens Nederland ‘met zijn vrekkigheid het geld, maar verloor het prestige’. Dat is kern van de analyse die Europa-correspondent Caroline de Gruyter dit weekend schreef over de recente Europa-top. Ten onrechte, vindt Fondsnieuws-hoofdredacteur Cees van Lotringen. Hij reageert met onderstaande bijdrage.
EU-top met 'nationale vrek' Mark Rutte

'Caroline de Gruyter introduceert haar conclusie met een gedachte-experiment. Daarin vergelijkt zij de strijd tussen de 26 lidstaten van de unie met het bestuurlijke gepalaver tussen de zeven provinciën van de Nederlandse republiek. Met dat gedachte-experiment wordt Nederland in de Europese Unie impliciet vergeleken met ‘het halfbakken lid’ Drenthe van toen. 

Op hoofdlijnen klopt de analyse van Europa-correspondent De Gruyter in NRC Handelsblad (25/7) wel: de EU is een proces van twee stappen vooruit, en één stap achteruit. Doorgaans zijn het externe schokken en/of geopolitieke dreigingen die de unie vooruithelpen, net zoals dat indertijd ook voor de republiek gold. Toch wordt Rutte tekortgedaan als hij wordt afgeschilderd als de emmer achter de Europese boot, zoals de Commissaris van de Koning van Drenthe dat in de ogen van De Gruyter voor de republiek was.

Franse top-down, Nederlandse bottom-up

De grote uitdaging voor de EU is dat de ontstaansgeschiedenis en de culturele identiteit van de lidstaten zo diametraal verschillend zijn. Frankrijk is ontstaan uit een sterk centralistisch denken - machtsdenken wel te verstaan -, waarin de burgers door Jean-Baptiste Colbert, de rechterhand van koning Lodewijk XIV, werden bestempeld ‘als een gans die je op zo’n wijze kaalplukt dat het een maximale omvang van veren oplevert, met de minst denkbare inspanning’. Daar staat Nederland tegenover, dat niet van de top-down is, zoals Frankrijk, maar van de bottom-up. Dit zompige land is niet door overheidsdienaren, maar door zijn burgers (door)ontwikkeld. Dat heeft ons nationale karaktertrekken gebracht als zelfbewustzijn, eigen-verantwoordelijkheid, oplossingsgerichtheid, pragmatisme en anti-fatalisme.

Tussen ‘die twee sterke broers’, zoals de Franse president Chirac ooit zei, staat Duitsland, dat met ons - Nederlanders - een economisch gedreven identiteit en trots deelt. Maar onze Oosterburen hebben een zwaar beschadigd zelfbeeld van een Dertigjarige Oorlog (1618-1648) waarin de middenklasse is weggevaagd, en van een Holocaust waar onder regie van de nazi’s 7 miljoen joden zijn vermoord. Die geschiedkundige erfenis maakt dat Duitsland in de EU de politieke rol niet kan spelen, die Holland op grond van zijn economische suprematie in de republiek der Zeven Verenigde Nederlanden wél heeft gespeeld.

Fransen meesters in strategie én taktiek

Door de relatieve zwakte van Duitsland, kan Frankrijk het intellectuele en morele leiderschap opeisen. En het klopt, er is geen enkele lidstaat die dat zo ideeënrijk, en strategisch zo gefocust doet als Frankrijk – ongeacht de politieke kleur van de president of zijn regering. Frankrijk heeft nog een andere vaardigheid: het weet strategie altijd met tactiek te combineren. Toen de coronacrisis Italië bijna deed imploderen, was Parijs er als de kippen bij om het momentum te pakken: de uitgifte van gemeenschappelijk schuldpapier.

En passant stemden de vermoeide regeringsleiders op de EU-top ook in met een besluit van historische betekenis: Brussel mag zelf belasting gaan heffen, op plastic, CO2 en digitalisering. De Gruyter schrijft: ‘nu gaat de EU namens allen geld ophalen op de markten, om het als subsidie uit te geven of goedkoop op lange termijn aan lidstaten door te lenen. Ditmaal gaat de EU pal vóór de lidstaten liggen. Beleggers hebben dat begrepen. Daarom houden zij zich rustig.’

Dat ‘koest houden’ interpreteert De Gruyter als instemming, maar dat is voorbarig: beleggers zijn door de ECB afgekocht met liquiditeitsinjecties, die zo omvangrijk zijn dat geen belegger daar – in dit stadium – iets tegenin kan of wil brengen. Beter is het om te profiteren van het geld dat door de ECB in de markt wordt gepompt. Dat hebben beleggers ook alom gedaan; kijk maar naar de gestegen rendementen van aandelen en bedrijfsobligaties. Wat dat betreft zijn beleggers net zo tactisch gedreven als Franse politici.

Op de langere termijn zal blijken of dit historische akkoord de EU een stap vooruit zal brengen, of twee stappen achteruit. Brussel mag én belasting heffen én het mag zelf geld lenen, om schuldenlanden te ondersteunen. Dit betekent dat de EU er alle belang bij heeft dat de ECB de rente voor langere tijd laag houdt. Voor debiteurenlanden – en dat zijn er behoorlijk wat in de eurozone – is dat een paradijselijk vooruitzicht. Maar het brengt geen structurele oplossing voor wat bij iedere crisis duidelijker wordt: de noordelijke lidstaten zijn veel te sterk voor het zuiden, zodat de eurozone een kunstmatig en onhoudbaar construct is.

Lakmoesproef binnen tien jaar 

De lakmoesproef komt waarschijnlijk nog dit decennium, als ten gevolge van afnemende economische groei de schuldenlasten toenemen en Europese autoriteiten conform de Franse Pavlov-reactie op twee fronten averechts zullen reageren: de ECB zal met gelegenheidsargumenten oplopende inflatie goed praten en toestaan, terwijl het de Europese Commissie zal aanzetten tot aanvullende belastingen.

In dat geval wordt aan de economische divergentie in de eurozone een uiteenlopende en diep verankerende historische ervaring toegevoegd: Zuid-Europese landen die van oudsher gewend zijn zich uit een schuldencrisis te “inflateren”, in tegenstelling tot spaarzame landen als Nederland en deels zelfs getraumatiseerde landen als Duitsland waar dat als een verraad jegens de burgers van het land wordt beschouwd. 

Daarnaast komt de splijtende vraag op tafel wie het uit de hand lopende schulden-feestje mag betalen: Noord of Zuid? Dat is een splijtzwam die bij voortduring tot conflicten en oorlogen heeft geleid in de wereldgeschiedenis. Nederland weet daar alles van, met de Tiende Penning die tot de Opstand tegen de Spanjaarden leidde en tot het Plakkaat van Verlatinghe van 1581.

Tegen die historische achtergrond was de eis van premier Mark Rutte tot structurele hervormingen door amechtige lidstaten als Italië in ruil voor subsidies en steun dan ook geen nationale vrekkigheid, maar bewijs van Europees staatsmanschap. Wil Europa namelijk een rol op het wereldtoneel blijven spelen, dan moeten wel álle lidstaten mee hollen.'

Cees van Lotringen is hoofdredacteur van Fondsnieuws en auteur van het boek ‘Tot hier en nu verder, Nederland op de drempel van een nieuwe tijd’ (2018). Hij heeft gewoond en gewerkt in Duitsland, Frankrijk en Italië. Deze bijdrage is een reactie op de analyse die afgelopen weekend in NRC Handelsblad verscheen over de Eurotop.