Debat: Er blijft werk voor gekwalificeerde adviseurs


De toegevoegde waarde van de beleggingsadviseur neemt af, wordt gesteld in een artikel in het Financieel Dagblad van 16 mei 2014. Is dat zo, vraagt directeur Jerry Bouwer zich af in een bijdrage aan het Fondsnieuws-debat over de rol van de beleggingsadviseur.
Jerry Brouwer, DSI

Een belangrijke opmerking in het FD-artikel artikel staat direct in de eerste zin van het artikel. Die begint met de woorden ‘de traditionele beleggingsadviseur’. Daar schuilt meer verklaring in dan de rest van het artikel doet vermoeden.

Zo lijkt de term traditionele beleggingsadviseur in dit artikel vooral te duiden op de beleggingsadviseur als beroep. DSI geeft een certificering ‘beleggingadviseur’ uit aan hen die aan specifieke eisen voldoen op het gebied van deskundigheid en integriteit.

Kwalificatie in plaats van beroep

DSI ziet de certificering als beleggingsadviseur steeds meer als een kwalificatie en niet zozeer direct als beroep. De kwalificatie van een op MIFID-niveau erkende specialist in vermogensopbouw.

De professional, overigens met een voldoende brede basis, in financiële instrumenten voor met name de particulier klant. Zijn of haar beroep kan en zal steeds vaker wat anders zijn, zoals bijvoorbeeld banker.

De vraag naar dit specialisme komt van verschillende kanten waaronder van de klant zelf die advies vraagt, maar denk ook aan de behoefte van het bouwen van beleggingsproducten of modelportefeuilles.

De vraag wordt ook gepushed door huidige en naderende regelgeving. De ESMA windt er geen doekjes om dat binnen het MIFID-domein pittige vakbekwaamheidseisen vereist zijn en de AFM heeft al geconstateerd dat er op een aantal gebieden ruimte is ter verbetering van de kwaliteit van beleggingsadvies en vermogensbeheer, onder andere door beter inzicht te krijgen in de klantsituatie en de doelstelling van de klant .

DSI constateert daarnaast eerstelijns adviseurs nu nog te vaak géén kwalificatie als (DSI) beleggingsadviseur hebben.

Financieel generalisten verzorgen vaak de intake en soms zelfs al de asset allocatie. De specialisten zitten in veel gevallen meer in de tweede lijn en daarmee verder weg van de klant. Dat zou wellicht anders moeten.

De beleggingsprofessional moet dan wel een voldoende brede basis hebben en de vraag óf een cliënt überhaupt wel moet beleggen kunnen beantwoorden.

En als het antwoord ‘ja’ is natuurlijk zaken beheersen als het kunnen maken van een verantwoorde asset allocatie. Dat vereist specifieke kwalificaties op het gebied van kennis en vaardigheden.  

Onzekerder

Natuurlijk is het vak van de beleggingsadviseur in de meer traditionele zin onzekerder geworden, hetgeen nu versneld wordt door ontwikkelingen zoals het provisieverbod.

Voorts zijn aansprakelijkheidsrisico’s en bijbehorende compliancekosten mogelijk aan aanbiederszijde zaken die een en ander business wise gezien minder aantrekkelijk maken.

Laat ik voorop stellen dat iemand vooral zelf moet weten wat hij met zijn geld wil doen. Als de klant maar wel duidelijk is dat execution only, of bepaalde execution only plus vormen (tips & trics) niet direct een substituut is voor beleggingsadvies.

Het is wat anders en moet wel echt bij je passen. De verleiding om toch weer aan bijvoorbeeld stock picking te doen, hetgeen waarvoor je beleggingsadviseur je behoedde, wordt dan mogelijk best weer groot.

Beleggen is een professionalisme, waar met een goed plan en technieken de gemiddelde klant over het algemeen gewoon minder risico loopt ten aanzien van zijn doelstellingen.

Ook vermogensbeheer (voor sommigen weggelegd als alternatief voor beleggingsadvies) waakt er voor dat onnodige risico’s gelopen worden.

Toegevoegde waarde

Het is juist daar waar de toegevoegde waarde van de gekwalificeerde beleggingsadviseur ligt en waarom execution only daar geen automatisch substituut voor is: een adviseur helpt vooral de belegger met structuur en beleid, het zoveel mogelijk uitbannen van emotie en daarmee vooral om het nemen van risico’s ten aanzien van de doelstelling te voorkomen.

De aantallen bij DSI registreerde Beleggingsadviseurs en Senior Beleggingsadviseur laten vooralsnog overigens geen terugloop zien. Sterker nog: het aantal is - ondanks de veranderingen binnen het vakgebied - stabiel gebleven. Mogelijke verklaringen kunnen zijn dat een DSI-registratie overminderd belangrijk gevonden wordt, maar ook de uitleg zoals hierboven: de kwalificatie blijft voor tal van professionals relevant.

DSI is van mening dat iedereen die op serieuze wijze professioneel iets met beleggen/financiële instrumenten van doen heeft, zeker met betrekking tot particuliere klanten, over een kwalificatie als DSI Beleggingsadviseur (of Vermogensbeheerder) dient te beschikken waarmee wordt aangetoond dat hij/zij over de nodige bagage beschikt.

Daarnaast zou het geen kwaad kunnen als de lobbykracht gebundeld zou worden binnen het beroep en er meer verbinding gecreëerd zou worden op verenigingsniveau om de toegevoegde waarde van de adviseur sterker uit te dragen.

DSI vindt dat de behoefte van de klant te allen tijde leidend moet blijven voor de vraag welke professional hem het beste kan adviseren. Dat kan in theorie dus een generalist (mits met de juiste kwalificaties) zijn, vooral in de oriënterende fase, maar dat is zeker niet automatisch het geval.

Financieel adviseurs die beleggen ‘er wel bij doen’ vinden daarbij ook de wetgeving (MIFID) hun pad doorkruisen.

DSI gelooft vooral in beleggingsspecialisten met een stevige brede basis. De sector zou uit zichzelf moeten waken voor een te zware frontlinie van (te) generalistische adviseurs, zeker als het gaat om beleggingsdienstverlening en vermogensbeheer.

Zo beschouwd zal er dus altijd wel werk blijven voor gespecialiseerde, gekwalificeerde professionals op dit terrein.

Jerry Brouwer is algemeen directeur bij DSI.

Zie voor eerdere bijdragen aan dit debat onder meer: