Een pensioenprobleem om van te dromen


Over ons pensioenstelsel wordt nu zo lang en zo vaak gepraat, dat we enkele basiskenmerken ervan uit het oog verloren hebben, lijkt het wel. Een ervan is het besef dat we een pensioenprobleem hebben waar andere landen alleen maar van kunnen dromen.

Waar Duitsland, om maar een land te noemen, 6,7 procent van zijn bruto binnenlands product (bbp) achter de hand heeft voor pensioenen, hebben wij zo’n 170 procent van ons bbp bij elkaar gespaard. Als de inwoners van Duitsland, Frankrijk en zo goed alle andere landen elk jaar, net zoals wij een UPO-brief zouden krijgen, dan zou het een A-4tje met daarop zo’n De Schreeuw-van-Edvard-Munch-achtige emoji zijn, u weet wel, een van angst uitschreeuwende, met beide handen gedrukt tegen zijn gezicht, blauw aanlopend gezichtje. 

Hoewel wij als land zeer innovatief en flexibel zijn, is van die eigenschappen niets te zien in de pensioendiscussie. Zo hebben wij ooit onze pensioenfondsen verplicht een groot deel van het pensioengeld te beleggen in staatsobligaties van uiterst veilige overheden. Dat was een prima regeling in het verleden, toen dat vaak nog 5 procent plus rendement betekende, maar die tijden keren in ieder geval in de komende jaren waarschijnlijk niet terug. 

Dat besef laten doordringen, is de broodnodige eerste stap in het verbouwen van ons stelsel. Wellicht dat we bijvoorbeeld moeten overwegen de beleggingskaders van onze pensioenfondsen aan te passen zodat risicovoller beleggen mogelijk wordt. Maar is dat niet onverantwoord?, klinkt het dan snel. Dat hangt van persoon tot persoon af, het is heel subjectief. De een heeft er geen moeite mee als zijn/haar pensioengeld wat risicovoller wordt belegd. De ander wil juist zo min mogelijk risico lopen. Die keuzevrijheid is er nu niet en het zou in een maatschappij waar maatwerk en eigen verantwoordelijkheid steeds meer de standaard is c.q. aan het worden is, niet misstaan. Waar pensioenfondsen nu per bedrijf of sector zijn georganiseerd, is het ook denkbaar die naar gewenst beleggingsrisico in te richten en dwars door alle sectoren van onze economie laten lopen. 

Omdat dat allemaal een soort taboe is, richt de discussie zich in de praktijk vooral op de vermaledijde rekenrente. Ons pensioenstelsel is in de kern heel simpel: de verwachte uitkering is de uitkomst van het rekensommetje ‘premie x rendement’. Voor ‘rendement’ pluggen we de rekenrente in het rekensommetje. Die is, door de gedaalde kapitaalmarktrentes, zeer laag, wat ons dwingt te kiezen tussen twee kwaden: óf de verwachte uitkering omlaag óf de premies behoorlijk omhoog. 

Maar die keuze hoeven we dus helemaal niet te maken als we pensioenen meer individueel maken. Óf...over rekenrente gesproken: we rekenen ons onnodig arm als we het rendement op ons pensioengeld voor de komende decennia gelijkstellen aan ergens tussen 0 en om en nabij 2 procent. Hoewel ervaringen uit het verleden natuurlijk geen garantie voor de toekomst bieden, slaat rekenen met 0 procent rendement voor de komende decennia nergens op. Het rendement op aandelen, waar onze pensioenfondsen overigens volop in beleggen, is volatiel maar komt op lange termijn toch echt significant boven 0 procent. 

Edin Mujagic is macro-econoom en hoofdeconoom bij OHV Vermogensbeheer. Deze column schreef hij voor Fondsnieuws Institutioneel, onze uitgave gericht op pensioenbestuurders en - beleggers. De derde editie verschijnt deze week.