Groene bubbel of bruine bananenschil?


De aandacht voor impactbeleggen, groen beleggen of een van de vele andere benamingen voor duurzaam beleggen is de afgelopen jaren sterk toegenomen. Vooral de zogenoemde green bonds - groene obligaties - mogen zich in veel aandacht verheugen.

De groei van deze markt is zelfs zo sterk, dat de kans aanwezig is dat er ‘een groene bubbel’ ontstaat; een te grote vraag naar groene obligaties bij te weinig aanbod. Dit zou tevens kunnen leiden tot meer greenwashing: niet-duurzame beleggingsinstrumenten die als groen worden aangemerkt, omdat dat goedkopere financiering betekent. Dit zijn twee effecten die een bubbel kunnen creëren en duurzaam beleggen daarmee toch iets minder duurzaam maken.

Maar toch heb ik liever een groene bubbel dan dat ik uitglijd over een bruine bananenschil, ofwel: beleggen in bruine aandelen of obligaties waarbij de kans bestaat dat ze op termijn helemaal niets meer opleveren.

Begripsinflatie

Vorig jaar werd er voor een recordbedrag van 157 miljard dollar aan green bonds naar de markt gebracht. Dit jaar zal dat volgens CBI groeien met 60 procent naar 250 miljard. Dat is veel geld, maar nog steeds slechts ongeveer 1 procent van de totale markt. Naast bedrijven en investeerders in duurzame energie hebben ook verschillende overheden het groene instrument gevonden om goedkoper kapitaal voor duurzaamheid op te halen. Polen was de eerste in 2016. België heeft vorige maand voor het eerst een green bond uitgegeven, vooral voor de financiering van investeringen in infrastructuur zoals het spoor. Ook Indonesië heeft vorige maand voor het eerst een groene obligatie uitgegeven, een ‘sukuk’ die zo is gestructureerd dat het past bij het Islamitische verbod op rente.

Deze drie voorbeelden tonen ook gelijk de problemen die aan dit soort instrumenten kleven. Die hebben vooral te maken met de definitie en de reikwijdte van duurzaamheidsinvesteringen; de Poolse economie draait voor 80 procent op kolen en is daarmee bepaald niet duurzaam. En Indonesië is de grootste kolenexporteur ter wereld, die bovendien behoorlijk heeft gehakt in zijn oerbos om ruimte te maken voor de monocultuur van palmolieplantages. Het met de sukuk opgehaalde geld mag niet worden gebruikt voor fossiele brandstoffen, maar wellicht wel voor ontbossing. Niet echt groen.

In België lijkt het doel het ontzien van de overheidsbegroting te zijn; investeringen in infrastructuur behoren tot het normale uitgavenpatroon van een overheid. Maar door ze te labelen als groen vergroot die overheid haar financieringspool met beleggers met een groen mandaat en kunnen zo de kosten worden gedrukt.

Groene bubbel

Deze voorbeelden tonen eens te meer aan dat de definitie van een groene obligatie niet altijd even helder is. Een aantal criteria om die definitie te verhelderen en te verscherpen. Ten eerste zal het bedrijf of de instelling die de groene obligatie uitgeeft zelf ook duurzaam moeten zijn. Een oliebedrijf dat een groene obligatielening uitgeeft, dat klopt nu eenmaal niet, ook al betreft de financiering van duurzame activiteiten. De kans dat financieringen op een balans gaan schuiven, zodat de relatief goedkopere groene financiering alsnog ten goede komt aan bruine activiteiten, blijft namelijk altijd bestaan.

Ten tweede moeten groene obligaties ook echt zijn bedoeld om duurzame investeringen te (her-) financieren. Dit moet bij de uitgifte blijken uit de strategie van de uitgever en naderhand uit de rapportage van de impact van de duurzame investering.
En natuurlijk moet het proces van aanvragen en kwalificeren ook in orde zijn: transparant, traceerbaar en door een externe partij geverifieerd. Iedereen kan wel zeggen groen te zijn, maar het moet ook echt kloppen.

Ook de Europese Unie komt met aanbevelingen om de markt meer te standaardiseren en groen ook echt groen te laten zijn. Dit soort initiatieven helpt het greenwashen tegen te gaan. Ondertussen heeft de grote vraag naar groene obligaties tot op heden over het algemeen niet geleid tot een groot verschil in uitgifteprijzen van groene en niet-groene obligaties. De reden hiervoor lijkt te zijn dat de angst bestaat dat een (te) lage vergoeding op green bonds bij uitgifte het volwassen worden van deze markt in de weg staat. Wel wordt bijna elke uitgifte zwaar overtekent en bij het verhandelen van obligaties op de secundaire markt is er wel degelijk sprake van een prijsverschil. Groen gelabelde obligaties zijn dus zeer in trek.

De bruine bananenschil

De reden dat veel marktparticipanten dolblij zijn met vergroening is natuurlijk de bruine bananenschil, ofwel: het toenemende risico dat bijvoorbeeld oliebedrijven of producenten van dieselauto’s stranded assets worden. Beleggingen waar de komende jaren fors op moet worden afgeschreven. Je zou veronderstellen dat de meeste beleggers dit soort uitglijders liever niet maken. Maar we hebben het dan wel over een veel groter deel van de beleggingen dan de groene niche van 1%. De wereldeconomie is nu eenmaal nog niet zo duurzaam.

Een veel belangrijker vraag dan die of er een bubbel op de markt voor groene obligaties gaat ontstaan, is dus eigenlijk waarom veel beleggers denken dat ze om die bruine bananenschillen heen kunnen blijven lopen. Want als ze goed kijken, zullen ze zien dat hun portefeuille er nogal wat bevat. Met een stoep vol met bananenschillen is het lastig om overeind te blijven.

Hans Stegeman is econoom en werkt bij Triodos Investment Management.